Hoe werkt het belastingstelsel?
Het belastingstelsel werkt met drie boxen die ieder een eigen soort inkomen belasten. Box 1 gaat over werk en woning en omvat je winst uit onderneming. In box 2 gaat het over inkomen uit een aanmerkelijk belang zoals aandelen in een eigen bv. Box 3 kijkt naar sparen en beleggen en belast je vermogen. Je berekent per box afzonderlijk de belasting en telt deze bij elkaar op. Daarna worden heffingskortingen in mindering gebracht zodat je minder hoeft te betalen. Hierdoor werkt het stelsel voor iedereen op dezelfde manier ongeacht de bron van het inkomen.
Box 1: Inkomen uit werk en woning
Box 1 belast je winst uit onderneming en eventuele inkomsten uit je eigen woning. Je betaalt belasting in schijven waardoor het tarief stijgt bij hogere inkomens. Je verlaagt je belastbaar inkomen met aftrekposten zoals ondernemersaftrekken of hypotheekrente. Het bedrag dat dan overblijft vormt de basis voor de schijven. Hierdoor sluit de belasting aan op je werkelijke inkomen in plaats van op je omzet. In 2026 zijn er drie schijven die samen bepalen hoeveel belasting je betaalt.
Tarieven 2025
In 2025 geldt een eerste schijf tot €38.441 met een tarief van 35,82%. De tweede schijf loopt van €38.442 tot €76.817 met een tarief van 37,48%. De derde schijf geldt vanaf €76.818 en heeft een tarief van 49,50%. De eerste schijf bevat ook de premies voor volksverzekeringen waardoor dit percentage hoger ligt dan het tarief van alleen inkomstenbelasting. Je betaalt pas het toptarief voor het deel van je inkomen dat boven de grens van de derde schijf uitkomt.
| Schijf | Belastbaar inkomen | Tarief |
| Schijf 1 | tot €38.441 | 35,82% |
| Schijf 2 | €38.442 tot €76.817 | 37,48% |
| Schijf 3 | vanaf €76.818 | 49,50% |
Tarieven 2026
In 2026 verschuiven de schijfgrenzen en tarieven licht. De eerste schijf loopt tot €38.883 en heeft een tarief van 35,75%. De tweede schijf loopt van €38.883 tot €78.426 en kent een tarief van 37,56%. Vanaf €78.426 geldt het tarief van 49,50%. Door deze aanpassing valt een groter deel van het inkomen in de eerste schijf en komt het hogere tarief pas later in beeld.
| Schijf | Belastbaar inkomen | Tarief |
|---|---|---|
| Schijf 1 | Tot €38.883 | 35,75% |
| Schijf 2 | €38.883 tot €78.426 | 37,56% |
| Schijf 3 | Vanaf €78.426 | 49,50% |
Voorbeeldberekening
Een voorbeeld laat duidelijk zien hoe de belasting per schijf werkt en hoe heffingskortingen je uiteindelijke bedrag verlagen.
- Belastbaar inkomen is €50.000 na aftrekposten.
- Het deel tot €38.883 valt in schijf 1 en wordt belast tegen 35,75%.
- Het deel van €38.884 tot €50.000 valt in schijf 2 en wordt belast tegen 37,56%.
- Schijf 3 is hier niet van toepassing omdat het inkomen onder de grens blijft.
- De belasting uit schijf 1 en schijf 2 wordt bij elkaar opgeteld.
- Daarna worden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting verrekend.
- Het bedrag dat daarna overblijft is de belasting die je betaalt.
Heffingskortingen
Heffingskortingen verlagen het bedrag dat je moet betalen en worden automatisch verrekend in de aanslag. De algemene heffingskorting geldt voor iedereen en wordt lager naarmate je inkomen stijgt. De arbeidskorting geldt voor iedereen die werkt en wordt opgebouwd bij lagere en middeninkomens en daarna afgebouwd. De combinatiekorting kan gelden als je werkt en jonge kinderen hebt. Deze kortingen bepalen samen hoeveel je uiteindelijk zelf betaalt en spelen een belangrijke rol bij de berekening van je belasting.
Verschil tussen loonbelasting en inkomstenbelasting
Het verschil tussen loonbelasting en inkomstenbelasting gaat vooral over het moment waarop je betaalt en wie de afdracht doet.
Bij loonbelasting:
• De werkgever houdt belasting en premies in op het loon
• De werkgever draagt dit maandelijks af aan de Belastingdienst
• Heffingskortingen worden meestal direct toegepast
Bij inkomstenbelasting:
• Je betaalt zelf via je jaarlijkse aangifte
• Er is geen werkgever die bedragen inhoudt
• Je betaalt in één keer of via een voorlopige aanslag
Box 2: Aanmerkelijk belang
Box 2 geldt voor ondernemers die een belang van ten minste 5% hebben in een vennootschap. Je betaalt belasting over dividend dat je ontvangt en over winst bij verkoop van aandelen. Box 2 is alleen van toepassing als je met een eigen bv werkt en jezelf winst uitkeert. Hierdoor gebruik je deze box alleen bij ondernemingsvormen met rechtspersoonlijkheid.
| Schijf | Inkomen uit dividend | Tarief |
|---|---|---|
| Schijf 1 | Tot €68.843 | 24,5% |
| Schijf 2 | Boven €68.843 | 31% |
Tarieven
Het tarief in box 2 kent twee schijven. Over het deel tot €68.843 betaal je 24,50%. Over het meerdere betaal je 31%. De verdeling zorgt ervoor dat kleinere dividenduitkeringen lager worden belast terwijl hogere uitkeringen zwaarder worden belast. De tarieven blijven in 2026 gelijk.
Box 3: Sparen en beleggen
Box 3 gaat over sparen en beleggen. In 2026 is het heffingsvrije vermogen €59.357 per persoon. Alleen het vermogen daarboven wordt belast. De belasting wordt berekend over een fictief rendement.
Tabel box 3 kernpunten 2026
| Onderdeel | Waarde |
|---|---|
| Heffingsvrij vermogen | €59.357 |
| Belastingtarief | 36% |
| Fictief rendement spaargeld | circa 1,28% |
| Fictief rendement beleggingen | circa 6% |
Tarieven
In 2026 is het heffingsvrije vermogen €59.357 per persoon. Het tarief over het berekende rendement is 36%. Hierdoor betaal je alleen belasting als je vermogen hoger is dan de vrijstelling. De berekening gebeurt automatisch bij de aangifte waardoor je zelf geen rendement hoeft te bepalen.



